Auteur: prof. dr. Fridus Steijlen

Black Lives Matter en Moluks anti-racisme

Eigenlijk was het Black Lives Matter protest op 10 juni 2020 gepland op het Anton de Komplein in Amsterdam Zuidoost. Vanwege de verwachte enorme opkomst werd de demo verplaatst naar het grotere nabijgelegen Nelson Mandelapark. AT5, de lokale nieuwszender deed live-verslag. Er kwamen 11.000 mensen die op 1.5 corona-meter afstand met mondkapje de eisen voor gelijkheid en tegen etnisch profileren en politie geweld met hun aanwezigheid kracht bij zetten. In de verte zag ik tussen de menigte twee RMS-vlaggen zwaaien. Een teken van solidariteit, maar ook een statement dat Molukkers tegen racisme zijn. De vlaggen pasten in het beeld. Want al eerder zag ik op de muur aan de voet van het standbeeld van Anton de Kom de leuze: ‘Black is beautiful’.

Deze slogan werkte voor mij als een missing link. De protesten in Nederland en in de rest van de wereld waren ontvlamd na de dood van George Floyd in Amerika op 25 mei 2020. De protesten in Nederland en elders waren geïnspireerd door de protesten in Amerika. Dit had ik eerder in de Nederlandse geschiedenis gezien, of beter gezegd in de Molukse. En ook toen had het relaties met discriminatie.

Black is beautiful

Eind jaren zestig kwamen tweede generatie Molukse jongeren steeds meer in aanraking met de Nederlandse samenleving. Onder andere omdat men vanuit de woonoorden naar de woonwijken was verplaatst. In die Nederlandse samenleving ondervonden Molukse jongeren dat zij als minder werden gezien, ze werden gediscrimineerd. Een soort collectieve reactie volgde. Molukse jongeren lieten zich inspireren door de ‘black is beautiful’ en de ‘black power’ beweging in Amerika. Ze leerden van die Amerikaanse bewegingen trots te zijn op zichzelf en daarvoor op te komen.

Het effect was confrontatie met de witte Nederlandse jeugd. Eind jaren zestig kwam het in meerdere Nederlandse steden tot confrontaties tussen Molukse jongeren (die massaal met voordeelkaartjes door het land reisden; de tienertour) en Nederlandse jongeren. Het kwam zelfs zover dat dominee Metiary, destijds voorzitter van de grootste Molukse organisatie, via pamfletten Molukse jongeren opriep om geen confrontaties aan te gaan. De link naar de Amerikaanse zwarte beweging liep via enkele Molukse jongeren die contact hadden met progressieve Nederlandse bewegingen, zoals cineclub Vrijheidsfilms. Het is ook de link die bijdroeg aan de radicalisering die uiteindelijk leidde tot de acties in de jaren zeventig.

‘Maar er waren ook bewegingen die het racisme aan de kaak stelden en er tegen protesteerden. Molukkers deden daar aan mee.’

Maar terug naar de stellingname tegen racisme. In de jaren tachtig werd steeds duidelijker dat Nederland een multiculturele samenleving was geworden en de overheid een zogenaamd ‘algemeen minderheden beleid’ wilde gaan voeren, was ook al duidelijk dat er sprake was van institutioneel en dagelijks racisme. Hoe subtiel dat racisme werkte werd indertijd stevig verwoord in het boek ‘Alledaags Racisme’ dat Philomena Essed in 1984 publiceerde. Dat werd haar niet in dank afgenomen. Er was ook toen veel ontkenning van racisme. Maar er waren ook bewegingen die het racisme aan de kaak stelden en er tegen protesteerden. Molukkers deden daar aan mee. Ze waren betrokken bij de jaarlijkse herdenkingen van de racistische moord in 1983 op de Antilliaanse Kerwin Duinmeyer. Ze waren aanwezig bij de Princenhof-conferentie tegen discriminatie en racisme in januari 1984 in Amsterdam. In 1985 organiseerden Molukkers uit Twente een fietstocht naar Amsterdam in het kader van een campagne van ’Ne pas touche mon pote’ (kom niet aan mijn makker). Dat was ter gelegenheid van het bezoek aan Nederland van de Franse organisatie SOS-Racisme die in 1984 was opgericht. En net als SOS-Racisme in Frankrijk waren er antiracisme bureaus in Nederland die door middel van onderzoek racisme aantoonden en racistische en discriminatoire voorvallen registreerden. En er ontstonden in de tweede helft van de jaren tachtig op landelijk en regionale niveaus ‘Anti-Discriminatie Overleggen’ (ADO). Ook in die bureaus en overleggen waren Molukkers actief. Op landelijk niveau werd dat bijvoorbeeld gedaan door het Inspraakorgaan Welzijn Molukkers (IWM).

Ook in de jaren negentig waren Molukkers actief in antiracisme activiteiten en projecten. In 1992/1993 ontstond de Werkgroep Discriminatie Molukkers, waar Molukkers vanuit verschillende wijken bij betrokken waren. En dan was er in 1995 een bijzonder Europees project ‘jongeren treinen’. Op initiatief van twee Iers-Joods meisjes reden vanuit verschillende uithoeken van Europa zes treinen ‘European Youth Trains’ gedurende een week naar het Europese parlement in Straatsburg. Het was een campagne tegen racisme, xenofobie, antisemitisme en intolerantie. Elke trein had een eigen thema en op 42 stations werd gestopt en werden jongeren opgepikt. De begeleider op een van de treinen was een Molukker. Ook in de jaren daarvoor hadden Molukse vertegenwoordigers meegedaan aan soortgelijke Europese campagnes.

Racisme niet verdwenen

Op een of andere manier werd het begin deze eeuw stiller aan het antiracisme en anti-discriminatie front. Niet dat racisme of discriminatie was verdwenen. Integendeel. Gelukkig zijn in ieder geval de laatste jaren weer nieuwe initiatieven ontstaan. Zoals Kick Out Zwarte Piet. Ook daar zag ik Molukse gezichten. De beweging die nu opkomt lijkt sterker dan die uit de jaren tachtig en negentig. Er liggen deels de zelfde eisen op tafel, maar ze worden massaler en breder gesteld. Waarin de echo van de bewegingen uit de jaren zestig doorklinken. Dat is een goede zaak en stemt hoopvol.

Coverfoto: Voorpagina van het magazine Tjengkeh uit de jaren ’80.

Lees ook:
Het protest van kunstenaar Willy Nanlohy tegen JP Coen in 1987

Dr. Chris Tamaela tijdens receptie na de oratie van prof. Fridus Steijlen (collectie MHM)

Chris Tamaela en Glenn Fredly, twee Molukse iconen gingen heen

In april verloren de Molukken twee iconen op het gebied van het Moluks erfgoed. Op 8 april overleed in Jakarta R&B artiest en songwriter Glenn Fredly Latuihamallo (1975) plotseling aan een hersenvliesontsteking. Amper 10 dagen later, op 19 april, overleed etno-musicoloog Chris Tameala (1957) in Ambon, hij leed aan suikerziekte en had longproblemen. De begrafenis van Glenn Fredly en Chris Tamaela konden we in Nederland via social media bijna live meemaken. Glenn Fredly en Chris Tamaela vertegenwoordigden verschillende generaties en muziekstijlen, terwijl ze ook op elkaar leken.

Glenn Fredly was een veelzijdige artiest die thuis was in verschillende muziekstijlen van R&B tot Jazz, hij was producent en acteur en won diverse prijzen. Weliswaar geboren in Jakarta was hij intens betrokken bij de Molukken. Zijn prijswinnende film ‘Cahaya dari Timur, Beta Maluku’ (Light from the East, I am Moluccan) uit 2014 was daarvan wel het grootste bewijs. Deze speelt tegen de achtergrond van het conflict tussen Moslims en Christenen aan het begin van deze eeuw en laat zien hoe tegenstellingen kunnen worden overkomen door een elftal samen te stellen uit beide geloofsgemeenschappen. Met deze productie toonde hij zich ook ambassadeur van de Molukken, want hij koos grotendeels voor jonge Molukse acteurs en liet hen de dialogen in het ‘Moluks Maleis’ voeren. Een niet onbelangrijke keuze als je bedenkt dat ‘Moluks Maleis’ in Indonesië als ‘niet netjes’ wordt gezien.

Met deze productie toonde hij zich ook ambassadeur van de Molukken

Chris Tamaela was van een andere generatie, een begin zestiger. Chris was meer bezig met de traditionele, of beter gezegd oorspronkelijke muziek van de Molukken. Hij was niet alleen etno-musicoloog, hij was ook dominee en gaf les op de UKIM (Universitas Kristen Maluku, Christelijke Universiteit Molukken). Volgens dichter en journalist, Rudy Fofid, was hij ook erg geliefd door en inspirerend voor studenten aan de Pattimura Universiteit. Op 9 juni 2015 promoveerde hij aan de Vrije Universiteit in het kader van een programma waarin drie Molukse predikanten uit Nederland en drie uit de Molukken een proefschrift schreven. In zijn proefschrift verbond Chris Tamaela zijn etno-musicologische achtergrond met zijn predikantschap. Hij analyseerde de muziek die in de Molukse kerk werd gebruikt en constateerde dat deze volledig westers was geworden. Daarom pleitte hij voor het terugbrengen van de oorspronkelijke Molukse instrumenten en muziek in de kerk. Hij noemde dat Supu-isatie. Een mooie term die mij indertijd inspireerde om een column over zijn promotie te schrijven.

Muziek als communicatiemiddel

Glenn Fredly heb ik zelf helaas nooit mogen ontmoeten, Chris Tamaela wel. Meerdere keren zelfs, de laatste keer vorig jaar november in Ambon. Een van de eerste keren na zijn promotie was tijdens een workshop die hij bij het Museum voor Volkenkunde in Leiden gaf. Hij is een van de weinige mensen die mij ertoe aan kon zetten om publiekelijk een instrument te bespelen. Hoe? Door te praten over muziek als communicatie en hoe mensen elkaar begroeten en zich met muzikale codes aan elkaar bekend maken. Dan wees hij met zijn vinger en moest je wel.

Sommige mensen spreken meerdere talen vloeiend en kunnen gemakkelijk switchen van de ene naar de andere taal, maar hebben één basistaal. Chris Tamaela’s basis taal was muziek. Tijdens een seminar voor mijn oratie zou hij een paper presenteren. Ik herinner me dat hij bezig was om op het laatste moment nog een verhaal op zijn laptop te zetten. Maar toen hij moest presenteren gin het pas goed toen hij een instrument in handen had en met ons kon communiceren via muziek. Hij deed dat opnieuw op de Konferensi Budaya Maluku (Conferentie over Molukse cultuur) in Dobo in november 2018. Het is een bijzondere gave om zo via muziek te kunnen communiceren en mensen mee te nemen.

Glenn Fredly, een ambassadeur van de Molukken

Glenn Fredly was een vertolker van de Molukse inbreng in R&B, Jazz en film. Chris Tamaela was een belangrijke verteller van de oorspronkelijke Molukse muzikale cultuur. Maar hij pleitte er juist ook voor om overal in de natuur instrumenten te zoeken, zoals blijkt uit filmpjes op You Tube. Beiden waren erg verbonden met de Molukken en waren ambassadeurs van de Molukken. Maar ze waren ook bruggenbouwers tussen de Molukken, Indonesië en Nederland. De reacties op het overlijden van beiden in Nederland waren indrukwekkend. Glenn Fredly had hier meerdere keren opgetreden. De foto op zijn wikipediapagina is van een optreden in Nederland. Van Chris Tamaela zijn legio opnames gemaakt tijdens zijn verblijf in Nederland. Hij gaf tal van workshops, zoals in het Tropenmuseum en in de Molukse kerk Gunung Batu te Amsterdam.

Met Glenn Fredly en Chris Tamaela verliezen niet alleen de Molukken iconen, maar Molukkers over de hele wereld verliezen twee creatieve en enthousiaste bruggenbouwers die het erfgoed in stand hielden en hielpen uitbreiden.

RMS vlag

Kroonjaar in bizarre tijden

Dit jaar, 2020 is weer een uitgelezen kroonjaar. Een jaar waarin meerdere jubilea gevierd worden of gebeurtenissen herdacht. Bijvoorbeeld het einde van de Tweede Wereldoorlog 75 jaar geleden in 1945, in Europa in mei en in de Pacific in augustus. Maar ook in het zelfde jaar de proclamatie van de Republiek Indonesië op 17 augustus. En het is 70 jaar geleden dat de RMS in april werd geproclameerd. En alweer 50 jaar geleden dat met de bezetting van de Indonesische ambassadeurs residentie in Wassenaar een eerste gijzelingsactie door Molukse jongeren werd uitgevoerd, gevolgd door de acties in 1975, dit jaar dus 45 jaar geleden.  

De aandacht voor deze historische momenten dit jaar vinden plaats onder bizarre omstandigheden. In de maand april, zou er in de Amsterdamse RAI een grote manifestatie worden georganiseerd ter ere van de 70 jarige herdenking van de RMS proclamatie. De uitbraak van de covid-19 pandemie gooide roet in het eten. Vanwege de geldende lockdown wordt in Nederland veel werk verricht via de digitale wereld. Ook dat werd de werkelijkheid voor de RMS viering. Dit jaar hield RMS-president in ballingschap mr. John Wattilete op 25 april een toespraak via YouTube. Dat was een wereld van verschil met vorig jaar toen een rechtszaak nodig bleek om de RMS herdenking in theater Orpheus in Apeldoorn af te dwingen. ‘ In de ochtend was Wattilete nog aanwezig geweest bij het hijsen van de vlag in de wijk in Breda, waar iedereen volgens de covid-19 maatregelen netjes afstand hield. Zoals ook in de andere Molukse wijken waar de vlag werd gehesen.  

Vlaggen op de Molukken

Eerder op 25 april al waren op de Molukken vlaggen gehesen. Dat gebeurt elk jaar, wellicht vanwege het kroonjaar, droegen drie mannen dit jaar de vlag zelfs naar het hoofdkantoor van politie. Een filmpje van deze actie, evenals die van een demonstratie in het dorp Aboru gingen viraal.  

Voorlopig ziet het ernaar uit dat de maatregelen in verband met de covid-19 pandemie grote bijeenkomsten zullen tegenhouden. Het is de vraag hoe de herdenkingen van de volgende voor de Molukse gemeenschap belangrijke historisch momenten zullen plaatsvinden. Welke dat zijn en wat de relevantie van die gebeurtenissen is, werd vijf jaar geleden in drie artikelen in de nieuwsbrief van het Moluks Historisch Museum beschreven. Voor de belangstellende: het eerste artikel in februari 2015 ging over 1945, het tweede in maart ging over 1950 en het derde over 1970 en 1975. Wellicht de moeite waard een terug te lezen.  

Het Molukse verhaal ophangen aan foto’s

Het Molukse verhaal opgehangen aan foto’s

GESCHREVEN DOOR PROF. DR. FRIDUS STEIJLEN OP . GEPOST IN NIEUWS

‘Een foto zegt meer dan duizend woorden’, wordt wel eens gezegd. Ik vraag me af of dat wel zo is. Het hangt ervan af wat iemand in een foto ziet of wil zien. Het hangt af van wat iemand graag wil horen, welk verhaal iemand wil vertellen. Dit soort overwegingen hield ik afgelopen 15 januari de aanwezigen op het Sophiahof voor. We waren bij elkaar vanwege de verkiezing van 25 foto’s die een beeld moeten geven van Nederlands Indië, Suriname en de Caraïbische eilanden tijdens de tweede wereldoorlog en kort daarna.

Dat was in het kader van het project ‘De tweede wereldoorlog in honderd foto’s, geïnitieerd door het NIOD (Nederlands Instituut voor oorlogs-, holocaust – en genocidestudies). Daarvoor koos in elke provincie – twaalf en de zogenaamde overzeese gebiedsdelen – een commissie 50 foto’s. Waarvan het publiek er weer 25 kon kiezen. En op 30 maart zullen uit alle foto’s 100 worden uitgekozen voor een tentoonstelling in de Tweede Kamer. De eerste selectie van 50 foto’s per provincie zullen worden gebruikt voor pop-up tentoonstellingen.

Molukse ex-KNIL-militairen uit woonoord Vossenbosch in training voor de wandelmars van Nijmegen. V.l.n.r.: A. Tuasela, H. Piris, J. Tuasela, S.A. Uneputty, F.J. Salakory, onbekend, A. Sahusilawane, F. Pattiasina (voor), P. Maulany (achter), M. Patty, W.D. Sipahelut, A. de Kock (achter), A. Latumahina (donkere baret, vooraan), D. Pattiasina (gedeeltelijk achter de vlag), onbekend (geheel achter de vlag).

Voor de selectie van de 50 foto’s uit de ‘overzeese gebiedsdelen’ putte we uit verschillende collecties, uiteraard ook die van het Moluks Historisch Museum. Het bijzondere van die laatste collectie is dat er foto’s in zitten die je elders niet vind, ook over de periode 1940-1949. Dat komt omdat ze via Molukkers in de archieven terecht zijn gekomen. Molukkers kwamen op andere plaatsen en vonden andere dingen belangrijke om vast te leggen of om als herinnering te bewaren.

Een van de foto’s die we uitkozen laat een groep mannen met bloot bovenlijf zien, die bezig zijn met sportles. De foto was genomen in Ambon en stamt uit 1945. Die plaats en tijd zijn bijzonder. Het is een foto van de training van KNIL militairen die na de capitulatie van Japan op de Molukken werden gerekruteerd. Vlak na die capitulatie was Nederland al weer terug in de Molukken en kon beginnen met de her-organisatie van het KNIL. Dat is een ander verhaal dan die foto’s uit andere delen van Indonesië vertellen waar Nederland nog wilde proberen haar koloniale gezag te herstellen. Die ene foto van sportende KNIL militairen, vertelt ons het verhaal van verschillende situaties in de uitgestrekte Indonesische archipel. Verschillen waardoor vanaf augustus 1945 Molukkers makkelijke voor het KNIL konden worden gerekruteerd dan bevolkingsgroepen op andere eilanden. Tegen de achtergrond van de actuele discussies over de dekolonisatie is dat een belangrijk verhaal.

Coos Ayal met 10 van de 17 overlevenden van de verzetsgroep op Nieuw-Guinea. De foto is genomen in Camp Wacol, Australië. V.l.n.r. Nuhuwae, Sagrang, Soeha, De Mey, Kokkeling, De Kock, Beaufort, Jaquard, Attinger en Sandiman.

Helaas, vind ik, heeft de foto de volgende ronde niet gehaald en zit hij niet in de selectie van 25 foto’s. Een foto van het Moluks Historisch Musem die wel in de volgende ronde is gekomen is die van Coosje Ayal, poserend met tien van de overlevenden van de verzetsgroep op Nieuw Guinea waar zij onderdeel van was. Ook dat is een belangrijk verhaal. Maar ook voor deze foto geldt dat je alleen het verhaal goed kan vertellen als je weet wat er op de foto staat. En je moet uiteraard het verhaal van Coosje en deze verzetsgroep willen vertellen, het verhaal belangrijk vinden.

Een foto vertelt volgens mij niet meer dan duizend woorden. Woorden zijn belangrijk om te weten wat je op de foto ziet. De foto is belangrijk om de woorden diepgang te geven. Het verhaal van Coosje krijgt diepgang als je haar als enige vrouw tussen de tien mannen ziet staan. Het verhaal over de rekrutering voor het KNIL direct na de Japanse capitulatie krijgt gezicht als je de Molukse militairen ziet sporten en je je beseft dat een aantal van hen in 1951 mogelijk naar Nederland is gebracht.

Deze foto’s in de collectie van het Moluks Historisch Museum moeten we koesteren, samen met de verhalen en we moeten zorgen dat die een weg blijven naar een breder publiek. Zoals ze nu in het project ‘De Tweede Wereldoorlog in honderd foto’s’ kleine haakje vormen om het Molukse verhaal aan op te hangen.

Laatste berichten

Zoek zelf naar beeldmateriaal

Bezoek ‘Vechten voor vrijheid. De vele gezichten van verzet’

Observaties op Ambon

Observaties op Ambon

GESCHREVEN DOOR PROF. DR. FRIDUS STEIJLEN OP . GEPOST IN NIEUWS

Op weg van het vliegveld naar het hotel vertelde de chauffeur dat het hotel de laatste tijd heel vol zit. Vooral met Molukkers uit Nederland, ‘Maluku-Belanda’. Meestal komen ze vanaf begin oktober en dat blijft zo tot in januari, daarna wordt het minder. Het is een soort seizoen Maluku-Belanda. “En dit jaar zijn er meer dan vorig jaar”, zei hij. Een vriend die op Ambon hotelmanager is bevestigt het: dit jaar zijn er meer Molukkers uit Nederland dan in andere jaren. De bezetting van het hotel liegt er inderdaad niet om. 

Twee jaar geleden logeerde ik hier voor het eerst. Het hotel was toen net open en er zaten weinig Molukse Nederlanders. Toen kwamen de meeste mensen uit de stad om in het restaurant op de hoogste verdieping van het hotel, de nieuwe locatie met uitzicht op Karang Panjang en het beeld van Martha Christina Tiahahu, te verkennen. Nu bestaat de overgrote meerderheid uit Molukse Nederlanders en hun gezinnen. Bij mijn eerste ontbijt loop ik al twee net gearriveerde kameraden uit Amsterdam tegen het lijf. En er zijn er meer, blijkt in de loop van de dagen. Het was me ook al opgevallen dat het hotel tegenwoordig aangeeft dat er ook Nederlands gesproken wordt.

Overdag lijkt het restaurant op sommige momenten op een kantoor met flexplekken. Aan de tafeltjes zitten verspreid Molukkers uit Nederland met gasten te praten. Als de gast of gasten vertrekken dan verzitten ze even, kijken op hun telefoons of relaxen even. Dan komen er weer nieuwe gasten, er worden handen geschud, omhelst en weer plaatsgenomen. Worden er weer kopjes koffie, thee, of juice en eventueel een schaaltje pisang goreng besteld. Dan beginnen de gesprekken weer. Sommigen heb het vooral over hoe het met de familie gaat, wie is overleden en wie getrouwd is en hoe de nieuwe baby heet. Anderen zijn bezig om informatie over de familiegeschiedenis te verzamelen, of over de geschiedenis van het dorp. Op sommige tafels worden ook cadeautjes uitgewisseld. 
Naast mij schuift iemand zijn zonnebril naar een familielid. Zijn Nederlandse partner pakt haar zonnebril, haalt hem uit het Ray-Ban etui en overhandigt het etui om de nieuwe aanwinst in te doen.

De aardbeving van september is niet dé reden waarom zoveel Molukse-Nederlanders nu in Maluku zijn. Het helpt wel. De aardbeving brengt Molukkers uit Nederland dichterbij Molukkers in de Molukken. Mensen die toevallig aanwezig waren toen de aardbeving plaatsvond zetten allerlei projecten op. Ik hoor van een jonge derde generatie vrouw die spontaan een crowd funding voor haar dorp begint. Binnen no time heeft ze 6.500 euro bij elkaar. Te weinig, want in het dorp van haar vader, waar de mensen de bergen in zijn gevlucht, is de gezondheid in gevaar. Anderen steunen bij het verspreiden van hulp die vanuit Nederland wordt aangevoerd. 

Natuurlijk zijn er meningsverschillen over wat wijs is en wie te vertrouwen. Kun je het beste hulp via gevestigde organisaties zoals TitanE geven of beter via individuen? De reactie op deze ramp is niet anders dan anders: privé-initiatieven bekritiseren de bestaande organisaties, niemand weer eigenlijk wat het beste is. Er is discussie over wat moet gebeuren: noodhulp of helpen de infrastructuur te herstellen? En waar moet je die dan herstellen? Inwoners van sommige dorpen zijn zo bang voor nieuwe bevingen en mogelijk daarna een tsunami, dat ze liever een nieuw dorp in de bergen bouwen. In Passo slapen mensen liever buiten in tentjes in de middenberm van de hoger gelegen doorgaande weg. Wat wel of niet zinvol is, is moeilijk te zeggen als je de situatie ter plekke niet hebt gezien en van de mensen hebt gehoord wat hun ervaring is. 

Als ik door Waai en Liang rij raak ik onder de indruk van de ravage. Waai is stil, een verlaten dorp waar normaal mensen, honden, katten en kippen moeten lopen. Ik zie nu alleen hier en daar wat inwoners, voornamelijk mannen. Liang heeft ook grote klappen gekregen. Een jongetje nodigt ons uit om in zijn huis een van de slaapkamers te bekijken Daar kwam na de beving een hele dag rook en modder tussen de vloertegels naar boven. Aangekoekte modder op de grond en verschoven tegels zijn de stille getuigen van deze angstdroom. Een buurman haalt ons uit het huis, je weet nooit wat er kan gebeuren. Misschien is er een groot gat onder de vloer van de kamer ontstaan, zoals aan de andere kant van de weg. 

Achterop de motor brengt een andere buurman me naar de berg boven Liang, waar de mensen naar toe zijn gevlucht. Het lijkt een dorp van drie kilometer lang, allemaal blauwe tenten, een tijdelijke school, een moskee, toiletten. De bus van Ambon naar Liang heeft hier ook zijn eindhalte. Alsof er gewoon wat omleidingen in de route zijn gemaakt. De mensen zijn nog bang en hebben trauma’s, vertelt de buurman die me rondrijdt. De mensen vertrouwen het water niet dat ze van de overheid geleverd krijgen en gebruiken het alleen om te wassen. Van wie komt de hulp, vraag ik, als ik een spandoek van de NU, Nahdlatul Ulama, een islamitische organisatie, zie. Van wel zeven organisaties, zegt hij. Niet uit Nederland? Nee, zover hij weet niet. Misschien wonen er minder mensen uit Liang in Nederland, denkt hij. Zijn grootvader was met het KNIL naar Nederland gegaan maar al in 1960 naar de Molukken teruggekeerd.

In tijden van een ramp komt de relatie tussen Maluku en Molukkers in Nederland weer even onder hoogspanning te staan. Zowel in positieve als negatieve zin. Negatief vanwege het onderlinge gekissebis. Positief vanwege de concrete hulp die men kan bieden en de mogelijkheid om vanuit Nederland de mensen op de Molukken bij te staan. Onwillekeurig moet ik de laatste tijd af en toe terugdenken aan de kerusuhan tussen 1999 en 2003. Toen was er dezelfde hoogspanning in de relatie. Groot verschil is dat er dit keer minder onmacht is. Hoe hulp te geven bij een natuurramp ligt meer voor de hand dan bij een conflict.

Foto’s: Fridus Steijlen

 

Laatste berichten

Zoek zelf naar beeldmateriaal

Bezoek ‘Vechten voor vrijheid. De vele gezichten van verzet’

Willy Nanlohy vs JP Coen

Deze column verscheen in de MHM nieuwsbrief van juni 2015.

In mei verscheen de biografie ‘Jan Pieterszoon Coen, 1587-1629 Koopman-Koning in Azië’ van de historicus Jur van Goor. Ik heb het boek nog niet gelezen, maar volgens een interview in dagblad Trouw van 23 mei, stelt de historicus de slechte reputatie van de VOC-commandant bij. Coen zou, volgens Van Goor, een man zijn geweest die overwogen beslissingen nam op basis van het toen geldende recht. De terechtstelling van veertig tot vijftig leiders van de Banda-eilanden, een van de gruwelijkste daden die Coen gebruikte om het handelsmonopolie over de nootmuskaat te verkrijgen, kwam volgens Van Goor omdat deze mensen in Coens ogen hun woord hadden gegeven en verraad hadden gepleegd. En daar stond de doodstraf op.

Tja, maar waarom kon de heer Coen, zo’n 12.500 kilometer verwijderd van zijn geboorteplaats Hoorn, zijn gevoel van rechtvaardigheid opleggen aan anderen?

Tja, maar waarom kon (en mocht) de heer Coen, zo’n 12.500 kilometer verwijderd van zijn geboorteplaats Hoorn, zijn gevoel van rechtvaardigheid opleggen aan anderen? Dankzij zijn ‘daadkracht’ in Banda zijn Molukkers en de Molukken blijvend verbonden met discussies over het handelen van J.P. Coen, over zijn standbeeld op de Rode Steen in Hoorn en als er iets over Coen wordt georganiseerd. En uiteraard zullen Molukkers dan een kritische noot laten klinken. De creatiefste kritische noot die ik mij herinner was die van de Molukse kunstenaar Willy Nanlohy in 1987. Het Westfries Museum in Hoorn herdacht in dat jaar, vier eeuwen na Coens geboortejaar, de beroemde plaatsgenoot met de tentoonstelling ‘J.P. Coen, daden en dagen in dienst van de VOC’. Ruud Spruyt, de toenmalige directeur, wilde daar graag Molukkers bij betrekken. In de kelders onderin het museum was ruimte voor ‘Molukse tekens’, een tentoonstelling van Willy’s beelden. En er waren meerdere Molukse artiesten uitgenodigd voor de opening in de Oosterkerk van Hoorn, in aanwezigheid van Prins Claus.

Prins Claus nam het zwartboek kalm in ontvangst

Rouwdoeken

Toen Willy bezig was zijn beelden te installeren en even boven ging kijken naar de nieuw ingerichte tentoonstelling schrok hij zich lam. Wat hij zag was een en al bejubeling van de man die zo had huisgehouden op Banda. Willy kon zich niet meer zomaar terugtrekken en bedekte zijn beelden met zwarte kleden, als teken van rouw. Ook bedacht hij iets voor de opening, waarin hij mij en enkele Molukse vrienden betrok. Via via hoorden wij dat uit verschillende delen van het land Molukkers naar Hoorn zouden komen om de opening te verstoren. Om te voorkomen dat daardoor Willy’s actie zou mislukken, probeerden we heftige protesten te voorkomen. Op de dag van de opening, 19 mei 1987, verscheen Willy in de Oosterkerk in Tjakalele outfit. De tweede stoel die voor zijn partner op de eerste rij gereserveerd was hield hij vrij voor de geest van zijn grootvader. Toen het programma goed en wel op gang was gekomen, tijdens het optreden van een Molukse band, stond Willy op en liep naar Prins Claus om hem een zwartboek over de Molukse geschiedenis te overhandigen. Claus nam het zwartboek kalm in ontvangst. Waarna een aantal mensen, die met vervalste kaartjes waren binnengekomen, opstonden om pamfletten over Willy’s actie uit te delen. In tegenstelling tot Claus reageerden andere aanwezigen behoorlijk verhit. De Molukse band, wiens optreden door Willy was verstoord, was pissig omdat ze niet van te voren was geïnformeerd. Maar vooral meneer Spruyt was enorm boos. Naar verluid zegde hij direct zijn (gratis) abonnement op Marinjo op. Terwijl het arme Inspraakorgaan Welzijn Molukkers, dat indertijd Marinjo uitgaf, er niets mee te maken had en niets wist van Willy’s plannen.

Maar vooral meneer Spruyt was enorm boos. Naar verluid zegde hij direct zijn (gratis) abonnement op Marinjo op.

Willy’s actie was een schreeuw van protest tegen de bejubeling van meneer Coen en een roep om ook aandacht te besteden aan de Molukse visie op de geschiedenis. Het tentoonstellingspubliek zal daar toen weinig van hebben meegekregen. Directeur Spruyt had Willy’s beelden immers van hun rouwkleden ontdaan. De persfoto van de overhandiging van het zwartboek haalde later nog wel een (Kleio) geschiedenisboekje als illustratie voor hoe op verschillende manieren naar de VOC-geschiedenis gekeken werd. Daar was Willy’s actie teruggebracht tot een nuancerende noot in een geschiedenisles.

Tjakalele bij volle maan

In kleine kring klonk ruim een jaar later nog één keer, bijna letterlijk, een echo van Willy’s protest. Op de avond van de laatste volle maan in december 1988 toog Willy met een groepje vrienden naar het Molukse woonoord Lunetten in Vught. Op de plek waar hij geboren was zou hij het hele gebeuren symbolisch beëindigen. Hij had de rouwkleden bij zich om ze te verbranden en in rook te laten vervliegen. Klokke 12 uur, middernacht, klonk daar op het centrale veld het geluid van enkele tifa’s. In het maanlicht dat af en toe tussen de wolken glipte en in de flakkerende schijn van de brandende doeken in een oliedrum tussen de tifaspelers, zag men Willy een Tjakalele opvoeren. Geen ingestudeerde passen of bewegingen, maar een echt schijngevecht met de geesten die de Molukse geschiedenis hadden bezoedeld. Het geruis van zijn dansende blote voeten op het gras en het zwiepen van zijn parang door de lucht, was te horen tussen de tifaslagen die werden weerkaatst door de muren van de barakken. Het was voor mij als de echo van een gevecht dat ooit in Banda was begonnen.

*Coverfoto uit de Marinjo nr 7, 1987

Lees ook Black Live Matters en Moluks antiracisme

Sophialaan 10, 2514 JR Den Haag
070-2005065
info@museum-maluku.nl